1 / 03 / 2010 De manier waarop we in België omgaan met arbeid is hopeloos achterhaald. De arbeidstijdregeling ligt vast in een Arbeidswet die dateert van 1971 en de laatste grote denkoefening over het statuut van de werknemers dateert van de Arbeidsovereenkomstenwet uit 1978. Die wetgeving is dan nog - net als de meeste sociale wetgeving - een heruitgave van wetgeving die nog ouder is. De afgelopen decennia is er dus eigenlijk niet meer grondig nagedacht over een hervorming van het statuut van de arbeidskracht. Ook ons sociaal overleg, de organisatie van de sociale zekerheid en de werkloosheidsverzekering dateren van na de Tweede Wereldoorlog en zijn niet meer aangepast aan de noden van vandaag.
Het resultaat is dat de Belgische tewerkstellingsgraad veel lager ligt dan andere landen in de Europese Unie. Van alle Belgen op actieve leeftijd is amper 63% effectief aan het werk. Dit is ver onder de prestaties van de ons omringende landen. Nederland kent bijvoorbeeld een tewerkstellingsgraad van 76%. Het EU-gemiddelde ligt boven de 66%. Deze lage werkgelegenheidsgraad bedreigt de welvaart van zowel de actieve als niet-actieve bevolking. Gezien de manier waarop onze bevolkingspiramide evolueert en wij binnenkort in België geconfronteerd worden met één derde van de bevolking die werkt tegenover twee derde die leeft van het inkomen van de anderen is de lage participatie van de potentieel actieve bevolking aan de arbeidsmarkt een probleem. Er dragen te weinig werkenden bij om de sociale zekerheid op termijn financieel gezond te houden. In ons land zijn 1,3 miljoen mensen deels of geheel afhankelijk van de RVA (werklozen, bruggepensioneerden, onderbrekingsvergoedingen,.). Meer dan 100.000 mensen moeten rondkomen met een leefloon. 250.000 mensen zijn afhankelijk van een RIZIV-uitkering. De effectieve 'pensioenleeftijd' bedraagt amper 59 jaar, vele mensen nemen dus te vroeg afscheid van de arbeidsmarkt. Kortom: onze sociale koek moet dus onder té veel mensen worden verdeeld, waardoor er per kop te weinig overblijft. België besteedt zijn sociale uitgaven dus minder efficiënt. 15% leeft onder de armoedegrens. Kortom, voor hen die het echt nodig hebben, blijft er bij ons vaak te weinig over. Bovendien wordt België historisch geconfronteerd met een hoge overheidsschuld (binnenkort weer 100% van het Bruto Binnenlands Product) die een interestlast op het overheidsbudget legt die in de ons omringende landen niet zo nadrukkelijk aanwezig is. Indien hervormingen uitblijven, dreigt België verder geconfronteerd te worden met hogere fiscale en parafiscale lasten op arbeid dan in de buurlanden en daardoor verder een economische handicap te ondervinden. Dit zal ongetwijfeld tot lagere jobcreatie leiden (wat nu al het geval is) en een lage participatie aan de arbeidsmarkt door de potentieel actieve bevolking te weeg brengen. Dit brengt de financiering van de sociale zekerheid in het gedrang. Niets doen, is dus de meest asociale politiek die men kan voeren. Dat lijken zelfs Franstalige socialisten vandaag begrepen te hebben. Ook zij zien immers in dat ondanks het starre conservatisme om de bestaande sociale rechten te behouden, de armoede in ons land stijgt. Door het gebrek aan hervormingen kan een uitkeringsgerechtigde in de Belgische sociale zekerheid niet meer rond komen met die uitkering. Het is dan ook niet verwonderlijk dat OCMW's worden overstelpt met vragen tot schuldbemiddeling en budgetbeheer. De oplossing is dus meer mensen aan het werk krijgen en ze ook langer aan het werk houden. Dat is dé sociale politiek voor de toekomst. Mensen zonder werk lopen immers een grotere kans op armoede (31%) in vergelijking met werkende mensen (4%). Meer nog, dit percentage "werkende armen" ligt van alle EU-landen het laagst in België. Werken garandeert in ons land dus een hoge vorm van sociale bescherming. Het opkrikken van deze werkgelegenheidsgraad komt neer op het activeren van de kansengroepen. De werkgelegenheidsgraad van de 25 tot 50 jarigen ligt immers vrij hoog, maar jongeren, ouderen, allochtonen en gehandicapten laten het vaak afweten op de arbeidsmarkt. Bovendien moeten we denken in de richting van een echt activeringsbeleid voor iedereen dat al start op het ogenblik dat iemand de ontslagbeslissing te horen krijgt tot het vinden van een nieuwe job.
Meer mensen aan het werk
De roep voor meer activering lijkt in crisistijd soms wat paradoxaal. Niets is minder waar; in crisistijd is activering minstens zo belangrijk. Het is van belang om in tijden van toenemende werkloosheid niemand los te laten. Het stopzetten van dit activeringsbeleid, zoals sommigen voorstellen, zou dus een heel verkeerd signaal zijn. In tegendeel, men mag niemand aan zijn lot overlaten en dus moet dit activeringsbeleid worden uitgebreid en versterkt. Wat kunnen nu de concrete pijlers zijn van een nieuw activeringsbeleid?
Betere afstemming tussen vraag en aanbod
Ondanks de crisistijd telt Vlaanderen nog steeds duizenden openstaande vacatures. Twintig procent van deze vacatures raakt gewoon niet ingevuld. De zorgsector, één van de groeipolen voor de toekomst, biedt perspectief voor duizenden werkzoekenden maar die werkzoekenden ontbreken de nodige scholing en opleiding om die jobs in te nemen. Knelpuntberoepen zijn van alle tijden, ook in crisistijd. Werkzoekenden moeten begeleid worden naar openstaande jobs en dit zo snel mogelijk en werkgevers moeten financieel gestimuleerd worden om te investeren in opleiding voor hun personeel.
Naar een activerend ontslagrecht en een energieke werkloosheidsuitkering Om echt in te zetten op activering moet zowel het ontslagrecht als de werkloosheidsverzekering herzien worden. Vandaag krijgt iemand die met ontslag geconfronteerd wordt in een eerste fase een inkomen van zijn werkgever, hetzij in de vorm van loon tijdens een opzeggingstermijn, hetzij in de vorm van een opzeggingsvergoeding. In het laatste geval wordt men vrijgesteld van prestaties. Tijdens die periode wordt de werknemer op geen enkele manier aangespoord om werk te zoeken. Dit ondanks het feit dat de opzeggingstermijn of -vergoeding bedoeld is om een brug te slaan naar de volgende dienstbetrekking. Ons ontslagrecht schiet op dat vlak zijn doel deels voorbij. Een opzeggingsvergoeding wordt doorgaans meer gezien als een gouden handdruk door de hogere bedienden en de vergoedingen voor arbeiders en lagere bedienden zijn dan weer te laag om echt voldoende tijd te bieden om een nieuwe evenwaardige job te zoeken. Het presteren van opzeggingstermijnen is bovendien ook niet altijd een haalbare oplossing. De samenwerking tijdens een opzeggingstermijn loopt niet altijd vlot. De partijen zijn immers in de fase van het afscheid nemen en worden verplicht om nog samen te werken, terwijl geen van beiden echt gelukkig is met de situatie. Tegenover dit alles staat dat als men binnen de periode die gedekt is door een opzeggingstermijn of -opzeggingsvergoeding nog steeds geen passende nieuwe job gevonden heeft, men terugvalt op een werkloosheidsuitkering die vandaag niet meer volstaat om een degelijk inkomen te behouden in het licht van de gestegen levenskosten. Die werkloosheidsvergoeding is bovendien te immobiel door de tijd heen. Zij fluctueert pas na een langere periode en de periode van opvolging door VDAB en RVA start te laat om echt activerend te werken.
Door de lage uitkeringen worden vele werklozen trouwens bijna gedwongen om in de zwarte economie bij te verdienen om een degelijk inkomen te verwerven. Iets wat valse concurrentie opwekt met de witte economie en een sterke drempel vormt voor de werkloze om in die witte economie te gaan werken. Het is aangewezen in ons land kortere opzeggingstermijnen te voorzien in vergelijking met die van de hogere bedienden - bijvoorbeeld afgestemd op het stelsel van de lagere bedienden - en dit te koppelen aan een werkloosheidsverzekering die een hogere bescherming biedt. Een werkloosheidsuitkering dient dan wel bij aanvang van de periode van werkloosheid veel nauwer aan te sluiten bij het laatste loon en per kwartaal te dalen, zodat de werkzoekende voelt dat de tussenkomst van de gemeenschap bij zijn zoektocht naar werk niet eindeloos en constant is. De loonbegrenzing voor de berekening van de werkloosheidsuitkering moet dan wel verhoogd worden tot ongeveer het dubbele van het bedrag dat vandaag gehanteerd wordt. De aanvullende middelen die hiervoor nodig zijn, kunnen verzameld worden aangezien werkgevers met de nieuwe en kortere opzeggingstermijnen toch een budget uitsparen.
Controle van werkzoekenden
De controle van werkzoekenden blijft hoe dan ook een noodzakelijk onderdeel van een activeringsbeleid. De opvolgingstermijnen zijn evenwel van daag ook té lang. De opvolging van werkzoekenden moet starten bij het eerste kwartaal van werkloosheid en niet zoals nu, na 15 of 18 maanden. Uitbreiding van het activeringsbeleid Het activeringsbeleid van begeleiding en controle (DISPO) moet niet alleen versterkt worden, het moet ook uitgebreid worden naar 50-plussers, onvrijwillig deeltijds werklozen, bruggepensioneerden en leefloners.
- 50-plussers: 33% van de 50-plussers is nog aan het werk vis-à-vis 40% gemiddeld in Europa.. Het aantal 50-plussers stijgt met de dag. Het uitkeringsbudget van de RVA gaat voor meer dan de helft naar deze groep. Ouderen moeten dus op zeer korte termijn in het activeringsbeleid opgenomen worden. Daartoe is het ook van belang dat beschikbaarheidsleeftijd voor de arbeidsmarkt opgetrokken wordt tot 65 jaar. Momenteel moeten mensen maar tot 58 jaar beschikbaar blijven voor de arbeidsmarkt, terwijl de wettelijke pensioenleeftijd 65 jaar bedraagt.
- leefloners (100.000): OCMW's zijn vandaag de dag verplicht om -25-jarigen die leven van een leefloon te begeleiden naar een job. Voor de +25-jarigen geldt deze activeringsplicht niet. De uitbreiding naar deze groep lijkt aangewezen.
- onvrijwillig deeltijds werklozen (25.000): zijn werklozen die voltijds willen werken, maar in afwachting van deze voltijdse loopbaan een inkomensgarantie uitkering krijgen, waardoor hun deeltijds loon plus de uitkering boven een werkloosheidsuitkering ligt. Deze onvrijwillig deeltijds werklozen dienen begeleid te worden naar een voltijdse job én gecontroleerd te worden.
- bruggepensioneerden: bruggepensioneerden mogen dankzij het generatiepact opnieuw aan de slag (zonder verlies van tegemoetkoming werkgever, wel verlies uitkering). We zorgen ervoor dat alle bruggepensioneerden (120.000) beschikbaar moeten blijven voor de arbeidsmarkt (momenteel enkel bruggepensioneerden in het kader van herstructurering). Vervolgens trachten we bruggepensioneerden eveneens te activeren.
Een mobiele, flexibele en vrijere arbeidsmarkt
Vandaag wordt onze arbeidsmarkt ook nog geconfronteerd met te veel barrières, die leiden tot een beperkte arbeidsmobiliteit en valse concurrentie. Bijvoorbeeld: - tussen statuten
o het archaïsche verschil in statuut van arbeiders en bedienden enerzijds, maar ook het verschil tussen het sociaal statuut van een zelfstandige en een werknemer
- tussen jobs
o levenslang leren aanmoedigen
o opleidingen door werkgevers aanmoedigen
- tussen regio's
o nog betere samenwerking tussen de regionale arbeidsbemiddelingsdiensten
Meer uniformiteit leidt niet tot alleen tot grote administratieve besparingen (instellingen en personeel aan de overheid), maar vermindert de administratieve lasten voor publieke en private ondernemingen. Bovendien vermindert het de kans op valse concurrentie door het hanteren van goedkopere statuten voor hetzelfde werk.
Meer flexibiliteit en vrijheid Tot slot is één van de belangrijkste kenmerken van een goedwerkende arbeidsmarkt de mate van flexibiliteit en vrijheid waarmee men arbeid kan organiseren en kan inspelen op schokken op de arbeidsmarkt. Volgende voorbeelden kunnen daarbij in aanmerking komen: Om de transfer van job tot job te vergemakkelijken kunnen we een sociaal rugzakje inrichten waarin mensen rechten opbouwen en benutten in functie van de verschillende noden doorheen hun carrière. Dit is het herstellen van het verzekeringsprincipe bij het opbouwen van sociale rechten. De vaste 38-urige werkweek is in veel sectoren een anachronisme. Een soepelere invulling van de 38-urenweek, bijvoorbeeld met een vork van 4 à 5 uren per week (zonder dat er sprake is van overwerk) en waarbij ieder kwartaal het gemiddelde van 38 uren moet bereikt worden lijkt een sociaal aanvaardbare oplossing om meer flexibiliteit in te bouwen, zowel voor werkgevers als voor werknemers. Laat ons snel werk maken aan het hervormen van onze arbeidsmarkt, voor ons land de concurrentiestrijd met de buurlanden verliest. Daar is de denkoefening immers al heel wat vroeger gestart.
|